zondag 2 oktober 2016

Jelmer

Zijn backhand moet beter. Hij slaat hem al vanaf zijn eerste partijtje op het miniveld enkelhandig. Jelmer was zes jaar toen zijn oudere broer Marc en hij voor het eerst gingen tennissen. Hij weet nog goed hoe ze met zijn tweeën aan de verkeerde kant van het park uitkwamen. Ze moesten een sloot over. Met fiets en al zijn ze toen door het water gelopen, gierend van het lachen en bibberend van de kou. Zijn backhand dus, daar moet iets mee gebeuren. Jelmer heeft, nu hij toernooien in het volwassenencircuit speelt, niet de fysieke kracht om de harde, diepe ballen te pareren. Wel met zijn forehand, niet met zijn backhand. Daarom heeft Marc deze week twee extra trainingen ingepland. Hij kijkt elke dag wijdbeens en met zijn armen over elkaar toe hoe Jelmer de nationale top tien nadert. Zijn stijl van coachen – rustig, gedecideerd, iets afstandelijk – bevalt Jelmer. Hij kan zich concentreren op de bal en vergeten dat er iemand naar hem kijkt. Pas na een sessie van tien minuten doet Marc zijn mond open. Dan volgt er een nauwkeurige analyse van wat Jelmer zojuist aan ballen weggeslagen heeft. ‘Je staat te veel naar het net gedraaid’, of ‘je achterzwaai moet sneller, je moet de bal eerder raken.’ Maar ook wel eens: ‘Goeie serie, je staat op je voorvoeten, je speelt agressief.’ Jelmer geniet van een spaarzaam compliment van zijn broer, vaak gevolgd door een nuchtere opmerking, zoals: ‘De volgende serie moet net zo goed zijn, minstens.’

Marc had naar school gebeld. Hij wilde De Koninck spreken, dat lukte. Zijn mentor kende Jelmer van vorig jaar. Hij had hem vaak de ruimte gegeven om lessen te missen, leunend op het vertrouwen dat hij en andere mentoren van de vorige teamleider kregen. Nu werd Marc vrijwel direct doorverbonden met ene Wilbert Kieboom, teamleider van 5 en 6 vwo. ‘Hij gaat hierover’, had De Koninck gezegd en Marc meende iets van verzet in diens stem te horen. De telefoon werd overgenomen door Wilbert Kieboom, een man die klonk alsof hij een reclameboodschap insprak. Alles leek ingestudeerd, Marc vond het verontrustend hoe snel Kieboom reageerde op zijn toch vrij specifieke vragen. ‘Voor regelingen omtrent topsport verwijs ik u graag door naar het hoofdstuk “Bijzonderheden” in de studiegids.’ En: ‘Als het gaat om een aantal lessen dat het maximum van twee per week niet overschrijdt en er staan geen toetsen of anderszins belangrijke gebeurtenissen gepland, dan zie ik geen reden…’ Het ging om vijf lessen, één op dinsdag (extra training), één op woensdag (extra training) en drie op de vrijdag, de dag waarop Jelmer zijn belangrijke derderondepartij speelde tegen Harald, een jongen van zijn leeftijd tegen wie hij al tientallen keren gespeeld had. Harald zocht altijd genadeloos Jelmers backhand op. Vandaar de extra trainingen.

Het had even geduurd, maar uiteindelijk ging Kieboom akkoord. ‘Als Jelmer maar zelf achter de gemiste lesstof aangaat’, daar had hij het bij gelaten. ‘Dat spreekt voor zich’, had Marc gezegd, terwijl Jelmer naast hem lachend zijn huiswerk niet maakte. Marc had drie jaar eerder op dezelfde manier weliswaar geen tenniscarrière maar wel zonder moeite een vwo-diploma behaald.

Nog drie lessen en dan zat de schooldag er voor Jelmer op. Het was dinsdag en hij zat in de les bij mevrouw Lieftink, Duits. Ze lazen een boek van Goethe. Jelmer zat naast Sam 2; Sam 1 had van de docenten een andere plaats gekregen. Jelmer wist dat hem iets vergelijkbaars boven het hoofd hing. Hij lette vaak niet op en bemoeide zich het liefst met alles wat er in de klas gebeurde. Aan de andere kant leek het alsof hij alles kon maken, omdat hij die jongen was die zo goed kon tennissen. Misschien zou het dus zo’n vaart niet lopen. Verveeld sloeg Jelmer het boek open. Sam 2 keek hem geërgerd aan, Sam moest alle zeilen bijzetten om op het vwo te blijven. Jelmer ging zwijgend verder met niets doen. Hij zocht oogcontact met wie maar wilde. Hij genoot van zijn populariteit. Dat was het enige dat school nog interessant maakte. Lieftink liep een rondje door de klas. Jelmer keek haar vriendelijk aan, hij deed geen poging om te verhullen dat hij nog geen letter had gelezen. Lieftink zuchtte en besloot hem met rust te laten, zolang hij anderen niet van het werk hield. Even later greep ze alsnog in, toen Jelmer voorovergebogen over de tafel van Dilal en Diede op de rare afbeelding van de schrijver wees, op de achterkant van het boek. ‘Jelmer, wil je het niks doen tot jezelf beperken, alsjeblieft?’ Mevrouw Lieftink was erg voorzichtig, zowel in haar houding als haar taalgebruik. Jelmer lachte en liep sloffend terug naar zijn plaats.

Na het zelfstudie-uur, dat Jelmer basketballend doorbracht, volgde Nederlands van mevrouw Diks. Jelmer maakte zich doorgaans geen zorgen over school, hij haalde zonder veel te doen hoge cijfers. Nederlands was een uitzondering, het enige vak waar hij eind vorig jaar een onvoldoende voor stond. Mevrouw Diks had hem op haar manier – bits, boos en kortaf –  op het hart gedrukt dat hij het niet ging redden, het vwo, als hij zo doorging. ‘Er moet een schepje bij, Hozemans. Wat zeg ik, er moet een berg bij, ik zou maar gauw beginnen, voor het te laat is.’ Jelmer had er destijds zijn schouders bij opgehaald, maar had zich haar opmerking later behoorlijk aangetrokken. En dus had hij zich voorgenomen om alle kleine beetjes motivatie die hij buiten de tennisbaan wist te vinden op te sparen voor de lessen Nederlands. Zo ging hij daar dikwijls alleen zitten, iets waar zijn vrienden weinig van begrepen. En soms zat hij naast David, maar David werd steeds populairder en de stoel naast hem was vaak al bezet.

Vandaag zaten ze naast elkaar, de tennisvrienden van weleer. David had voorgesteld om nog eens een potje te spelen, maar Jelmer had er eigenlijk geen zin in. Hij dacht direct terug aan hun laatste potje, bijna tien jaar geleden, waarin David huilend naar huis toe liep nadat Jelmer hem de eerste drie games geen punt gegund had. Jelmer had verbaasd opgekeken toen David een week later voor de deur stond, met een nieuw racket in zijn handen, klaar voor de revanche die nooit zou komen. ‘Hozemans, joehoe, ben ik in beeld?’ Mevrouw Diks had hem blijkbaar een vraag gesteld. ‘Vertel eens, Jelmer, welke twee zinsdelen zijn van plaats gewisseld in een zin met inversie?’ Jelmer dacht na. Hij dacht na over zijn backhandtraining die over een uur zou beginnen, over school, over zijn geringe motivatie voor school, over mevrouw Diks en hoe zij daaraan bijdroeg, over zijn broer, het telefoongesprek met de nieuwe teamleider, over zijn ouders, over altijd maar in het middelpunt van de belangstelling staan. Hij dacht voor het eerst heel even aan een ander leven, waarin school belangrijk was, omdat je er iets nuttigs leerde. Wat nou als hij geen proftennisser zou worden? Of een heel slechte? Waar kon hij dan op terugvallen? Hij dacht aan alles waar je in zijn positie maar aan kon denken. Maar hij dacht niet aan de zinsdelen die van plaats wisselen in zinnen met inversie. Het kon hem simpelweg niet boeien.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten