zondag 2 oktober 2016

Jelmer

Zijn backhand moet beter. Hij slaat hem al vanaf zijn eerste partijtje op het miniveld enkelhandig. Jelmer was zes jaar toen zijn oudere broer Marc en hij voor het eerst gingen tennissen. Hij weet nog goed hoe ze met zijn tweeën aan de verkeerde kant van het park uitkwamen. Ze moesten een sloot over. Met fiets en al zijn ze toen door het water gelopen, gierend van het lachen en bibberend van de kou. Zijn backhand dus, daar moet iets mee gebeuren. Jelmer heeft, nu hij toernooien in het volwassenencircuit speelt, niet de fysieke kracht om de harde, diepe ballen te pareren. Wel met zijn forehand, niet met zijn backhand. Daarom heeft Marc deze week twee extra trainingen ingepland. Hij kijkt elke dag wijdbeens en met zijn armen over elkaar toe hoe Jelmer de nationale top tien nadert. Zijn stijl van coachen – rustig, gedecideerd, iets afstandelijk – bevalt Jelmer. Hij kan zich concentreren op de bal en vergeten dat er iemand naar hem kijkt. Pas na een sessie van tien minuten doet Marc zijn mond open. Dan volgt er een nauwkeurige analyse van wat Jelmer zojuist aan ballen weggeslagen heeft. ‘Je staat te veel naar het net gedraaid’, of ‘je achterzwaai moet sneller, je moet de bal eerder raken.’ Maar ook wel eens: ‘Goeie serie, je staat op je voorvoeten, je speelt agressief.’ Jelmer geniet van een spaarzaam compliment van zijn broer, vaak gevolgd door een nuchtere opmerking, zoals: ‘De volgende serie moet net zo goed zijn, minstens.’

Marc had naar school gebeld. Hij wilde De Koninck spreken, dat lukte. Zijn mentor kende Jelmer van vorig jaar. Hij had hem vaak de ruimte gegeven om lessen te missen, leunend op het vertrouwen dat hij en andere mentoren van de vorige teamleider kregen. Nu werd Marc vrijwel direct doorverbonden met ene Wilbert Kieboom, teamleider van 5 en 6 vwo. ‘Hij gaat hierover’, had De Koninck gezegd en Marc meende iets van verzet in diens stem te horen. De telefoon werd overgenomen door Wilbert Kieboom, een man die klonk alsof hij een reclameboodschap insprak. Alles leek ingestudeerd, Marc vond het verontrustend hoe snel Kieboom reageerde op zijn toch vrij specifieke vragen. ‘Voor regelingen omtrent topsport verwijs ik u graag door naar het hoofdstuk “Bijzonderheden” in de studiegids.’ En: ‘Als het gaat om een aantal lessen dat het maximum van twee per week niet overschrijdt en er staan geen toetsen of anderszins belangrijke gebeurtenissen gepland, dan zie ik geen reden…’ Het ging om vijf lessen, één op dinsdag (extra training), één op woensdag (extra training) en drie op de vrijdag, de dag waarop Jelmer zijn belangrijke derderondepartij speelde tegen Harald, een jongen van zijn leeftijd tegen wie hij al tientallen keren gespeeld had. Harald zocht altijd genadeloos Jelmers backhand op. Vandaar de extra trainingen.

Het had even geduurd, maar uiteindelijk ging Kieboom akkoord. ‘Als Jelmer maar zelf achter de gemiste lesstof aangaat’, daar had hij het bij gelaten. ‘Dat spreekt voor zich’, had Marc gezegd, terwijl Jelmer naast hem lachend zijn huiswerk niet maakte. Marc had drie jaar eerder op dezelfde manier weliswaar geen tenniscarrière maar wel zonder moeite een vwo-diploma behaald.

Nog drie lessen en dan zat de schooldag er voor Jelmer op. Het was dinsdag en hij zat in de les bij mevrouw Lieftink, Duits. Ze lazen een boek van Goethe. Jelmer zat naast Sam 2; Sam 1 had van de docenten een andere plaats gekregen. Jelmer wist dat hem iets vergelijkbaars boven het hoofd hing. Hij lette vaak niet op en bemoeide zich het liefst met alles wat er in de klas gebeurde. Aan de andere kant leek het alsof hij alles kon maken, omdat hij die jongen was die zo goed kon tennissen. Misschien zou het dus zo’n vaart niet lopen. Verveeld sloeg Jelmer het boek open. Sam 2 keek hem geërgerd aan, Sam moest alle zeilen bijzetten om op het vwo te blijven. Jelmer ging zwijgend verder met niets doen. Hij zocht oogcontact met wie maar wilde. Hij genoot van zijn populariteit. Dat was het enige dat school nog interessant maakte. Lieftink liep een rondje door de klas. Jelmer keek haar vriendelijk aan, hij deed geen poging om te verhullen dat hij nog geen letter had gelezen. Lieftink zuchtte en besloot hem met rust te laten, zolang hij anderen niet van het werk hield. Even later greep ze alsnog in, toen Jelmer voorovergebogen over de tafel van Dilal en Diede op de rare afbeelding van de schrijver wees, op de achterkant van het boek. ‘Jelmer, wil je het niks doen tot jezelf beperken, alsjeblieft?’ Mevrouw Lieftink was erg voorzichtig, zowel in haar houding als haar taalgebruik. Jelmer lachte en liep sloffend terug naar zijn plaats.

Na het zelfstudie-uur, dat Jelmer basketballend doorbracht, volgde Nederlands van mevrouw Diks. Jelmer maakte zich doorgaans geen zorgen over school, hij haalde zonder veel te doen hoge cijfers. Nederlands was een uitzondering, het enige vak waar hij eind vorig jaar een onvoldoende voor stond. Mevrouw Diks had hem op haar manier – bits, boos en kortaf –  op het hart gedrukt dat hij het niet ging redden, het vwo, als hij zo doorging. ‘Er moet een schepje bij, Hozemans. Wat zeg ik, er moet een berg bij, ik zou maar gauw beginnen, voor het te laat is.’ Jelmer had er destijds zijn schouders bij opgehaald, maar had zich haar opmerking later behoorlijk aangetrokken. En dus had hij zich voorgenomen om alle kleine beetjes motivatie die hij buiten de tennisbaan wist te vinden op te sparen voor de lessen Nederlands. Zo ging hij daar dikwijls alleen zitten, iets waar zijn vrienden weinig van begrepen. En soms zat hij naast David, maar David werd steeds populairder en de stoel naast hem was vaak al bezet.

Vandaag zaten ze naast elkaar, de tennisvrienden van weleer. David had voorgesteld om nog eens een potje te spelen, maar Jelmer had er eigenlijk geen zin in. Hij dacht direct terug aan hun laatste potje, bijna tien jaar geleden, waarin David huilend naar huis toe liep nadat Jelmer hem de eerste drie games geen punt gegund had. Jelmer had verbaasd opgekeken toen David een week later voor de deur stond, met een nieuw racket in zijn handen, klaar voor de revanche die nooit zou komen. ‘Hozemans, joehoe, ben ik in beeld?’ Mevrouw Diks had hem blijkbaar een vraag gesteld. ‘Vertel eens, Jelmer, welke twee zinsdelen zijn van plaats gewisseld in een zin met inversie?’ Jelmer dacht na. Hij dacht na over zijn backhandtraining die over een uur zou beginnen, over school, over zijn geringe motivatie voor school, over mevrouw Diks en hoe zij daaraan bijdroeg, over zijn broer, het telefoongesprek met de nieuwe teamleider, over zijn ouders, over altijd maar in het middelpunt van de belangstelling staan. Hij dacht voor het eerst heel even aan een ander leven, waarin school belangrijk was, omdat je er iets nuttigs leerde. Wat nou als hij geen proftennisser zou worden? Of een heel slechte? Waar kon hij dan op terugvallen? Hij dacht aan alles waar je in zijn positie maar aan kon denken. Maar hij dacht niet aan de zinsdelen die van plaats wisselen in zinnen met inversie. Het kon hem simpelweg niet boeien.


maandag 19 september 2016

Carlos

Carlos was een nieuwsgierige peuter in een nieuwe omgeving die hij zo snel mogelijk wilde leren kennen. Dit resulteerde een paar weken voor zijn zesde verjaardag in de overgang van groep 1 naar groep 3. Carlos wilde de taal leren die hij al kende maar nog niet sprak. Hij weet nog dat hij van zijn vader en moeder boekjes cadeau kreeg om in groep 3 met zijn klasgenoten te lezen, in de leeshoek, die hij toen alleen nog kende uit verhalen van zijn overbuurjongen Stan. Stan bracht zijn tijd het liefst door in de bouwhoek, waar hij huizen bouwde voor zijn juf, zodat zij op school kon komen wonen. Toen Carlos naar de middelbare school ging was hij net elf geworden. Hij was klein van stuk, ook in het voetbalteam was hij een kop kleiner dan zijn leeftijdsgenoten. Toch schrikte het vooruitzicht van een nieuwe school met oudere, grotere leerlingen Carlos niet af. Hij had zin om te beginnen, hij zou zich vast wel aanpassen, zoals hij al zo vaak had gedaan.

Toen hij twee jaar was kwam hij uit Colombia naar Nederland. Zijn ouders hadden de bed and breakfast overgenomen van zijn moeders zus, Manuela. Zij had in één van haar spaarzame bezoeken aan Bogotá een Nederlandse man ontmoet en was met hem meegegaan. Hij had een eigen boerderij in een klein dorp in Nederland en Manuela begon daar een bed and breakfast; aanvankelijk uit verveling, maar de verveling veranderde al gauw in een enorme toewijding. Haar man, Peter, overleed niet lang daarna aan een hartstilstand. Hij was buiten aan het werk toen het plotseling gebeurde. Daarna heeft Manuela het nog jaren alleen volgehouden. Ze weigerde de hulp van anderen in te schakelen of aan te nemen. Haar boerderij was heilige grond geworden, die ze enkel met gasten wilde delen. Totdat ze ziek werd, kanker kreeg, en moest toezien hoe iedereen zich ermee ging bemoeien.

Carlos’ ouders hadden het niet breed in Colombia. Hij heeft er zelf nooit wat van gemerkt, maar het schijnt dat ze soms een dag niets te eten hadden. Toen ze in Nederland kwamen zijn ze bij tante Manuela op de boerderij gaan wonen, om deze te beschermen en om voor haar te zorgen. Carlos was te jong om zich bewust te zijn van de veranderde omgeving. Bovendien was het een vrij eenvoudig dorp, van genoeg maar lang niet alle gemakken voorzien. Met een beetje fantasie leek het op Colombia. Ze voelden zich hier gauw thuis. In de veertien jaar die volgden, is de boerderij twee keer verbouwd, totdat hij groot genoeg was om de steeds groter wordende stroom gasten onderdak te bieden. Tante Manuela overleed kort nadat ze zag dat haar project goede handen was.
Luirink komt uit hetzelfde dorp als Carlos. Ze komen elkaar wel eens tegen in het bos, als ze hun hond uitlaten. Dit uur hebben ze les van Luirink, economie. Op de derde verdieping is het warm. De septemberzon weet dit jaar van geen wijken en brandt genadeloos door de vele ramen in het lokaal. Bijna iedereen is bezig met een opdracht, in tweetallen. Carlos zit vooraan, waar hij vaak zit, omdat hij anders weinig ziet. Naast hem zit Siem, zijn beste vriend. Siem is de een na kleinste van de klas, maar dat is niet de enige reden dat ze bevriend zijn. Siem is net als Carlos nog niet bezig met zaken als meisjes, rijbewijs, alcohol en bijbaantjes. En Siem kan net als Carlos ontzettend goed voetballen. Ze zijn beiden de beste uit hun team, respectievelijk de B1 en C1. Carlos kijkt altijd een beetje tegen Siem op, die ook nog eens hoge cijfers haalt voor de meeste vakken.


Hij weet niet waarom, maar Carlos heeft al een tijdje het gevoel dat alles elk moment kan veranderen, zoals dat bij sommige klasgenoten ook gebeurd is. Kijk naar Jim, of Lars, die niet zo lang geleden nog goede vrienden van hem waren. Zij zijn niet meer geïnteresseerd in hem, kijken liever de hele dag met open mond naar Esmée, Diede of Nina. Zolang het nog kan, houdt Carlos vast aan zijn onbezorgde leven, aan zijn eindeloze voetbalavonden en aan de boerderij. Carlos vindt het heerlijk om thuis te komen en zijn vader te helpen op het land. Of aan te schuiven aan een lange tafel vol met mensen die bij hen op bezoek zijn. Als de gasten naar de omgeving vragen, zijn het niet zijn ouders die antwoord geven, maar is het Carlos die dat doet. Door te vertellen over de akkers grenzend aan hun tuin, de weilanden, de sloop van de boerderij verderop in de straat en de dieren die ze van de boer hebben overgenomen. ‘Hij kwam ze gewoon brengen, we hoefden alleen maar de poort open te doen’, zegt Carlos dan, hopend op verraste of geschokte reacties. Op dinsdag en donderdag wordt zijn verhaal steevast onderbroken door Simon, die hem komt halen voor de training van de B1. Carlos hoopt vurig op een definitieve overgang van de C1 naar de B1, zodat hij ook wedstrijden kan spelen, met Siem en de anderen. Dat kan nu toch niet lang meer duren.

zondag 11 september 2016

Sam 1

Hij zit aan het raam. Naast hem zit David, de nieuwe jongen uit Canada. Door het hoge raam, dat aan hun kant open staat, kijkt Sam van drie hoog uit op het schoolplein. Daar is zijn broer Jasper, met zijn vrienden van wie Sam de namen nog steeds niet allemaal kent. Eén van hen heet Sjors. Hij is de langste, heeft een groot hoofd met weinig haar en een grove huid met putten erin. Sjors heeft als enige in de gaten had dat ze worden bekeken, door Sam en nu ook door David.

‘Hee, gasten, kijk eens naar onze toeschouwers. Jasper, je broertje probeert af te kijken volgens mij. Hij wil onze swag stelen, ik zweer het je.’ Sjors trekt zijn mond in een grijns zo breed dat zelfs Sam hem kan zien. Jasper, zijn twee jaar oudere broer – in de vijfde klas blijven zitten –, draait zich langzaam om, in de hoop dat Sjors zal zeggen dat het niet waar is, dat het iemand anders is, of niemand. Maar hij ziet al snel de bekende krullenkop achter het raam. Het is Sam. En een onbekende jongen, een nieuwe vriend van hem zeker. Jasper gaat op één van de muurtjes staan en roept: ‘Ga weg daar! Ga iemand anders bespieden. Of moet ik het soms aan pap vertellen, dat je weer eens niet aan het werk was in de les? Zal ie niet leuk vinden denk ik!’ Zijn stem klinkt schor van al het roken.

Sam zegt niets terug, behalve ‘teringlijer’, heel zacht. ‘Pardon, monsieur Van de Heuvel? Mevrouw Kusters kijkt nijdig zijn kant op en voegt er in het Frans nog iets aan toe wat Sam niet begrijpt; het klinkt belerend, zoals meneer De Koninck gisteren ook had geklonken. Sam sluit het raam en kijkt wazig voor zich uit. ‘Je m’excuse’, mompelt hij. Hij voelt zich als een afgerichte hond. Hij mag niks meer. Iedereen zit erbovenop de laatste tijd. En waarom? Het is Jasper die steeds in de problemen komt, niet hij. Maar dat gaat er bij zijn ouders gek genoeg niet in. Zijn moeder had nog voor de eerste schooldag naar school gebeld en gevraagd of hun mentor, meneer De Koninck, extra op hem wilde letten. Toen die had gezegd dat dat voor zich sprak, had ze eraan toegevoegd: ‘Sam is veranderd, hij is dwars en druk en moeilijk benaderbaar. Je zal hem niet herkennen, let maar op.’ Sam had het gesprek woord voor woord gevolgd. Daarna was niets meer hetzelfde.

Tijdens het laatste uur, wiskunde van meneer Marres, zit David ineens naast Nora. Er speelt wat tussen die twee, dat is voor iedereen duidelijk. Nu lijken ze er zelf ook geen geheim meer van te maken. Sam vindt ze wel bij elkaar passen, maar hij is hier niet blij mee. De leerlingen mogen elke les zelf bepalen naast wie ze gaan zitten. Behalve hij. Sam mag niet meer naast Jelmer zitten of naast Jim, Roan of Sam 2. Het was een idee van meneer De Koninck, maar Sam wist beter: het was door zijn ouders ingegeven. De Koninck kennende zou hij dit nog wel een keer toegeven. Hoe dan ook, alle docenten hadden een mail ontvangen en vandaag was de eerste dag waarop Sams keuzes beperkt waren. En nu kon hij ook niet naast David zitten, die op hem een neutrale, vriendelijke indruk had gemaakt. Sam besluit weer aan de raamkant te gaan zitten, achterin. Hij merkt vanzelf wel wie er aanschuift. Met tegenzin laat hij zijn tas van zijn schouders glijden. ‘Oh, niks ervan, Sam Straal.’ Achter hem doemt de grote, brede gestalte van meneer Marres op. ‘Jou wil ik vooraan hebben.’

‘Hoi’, zegt Farouk. Sam kijkt op van de tas waaruit hij zijn (principieel) niet gekafte wiskundeboek tevoorschijn haalt. ‘Hoi’, zegt hij terug, terwijl hij zich realiseert dat zijn boosheid doorklinkt in zijn reactie. ‘Waarom moet je hele tijd ergens anders zitten?’ Sam kijkt op van de directheid. Farouk was hem vorig jaar nooit zo opgevallen. Sam weet nog dat hij een keer heel erg misselijk werd toen ze bij bio een vis ontleedden. Hij had toen in het lokaal overgegeven. Sindsdien zat Farouk alleen. Of soms nog naast Dilal, met wie hij lange tijd verkering had maar sinds de zomer niet meer. Farouk is heel verlegen, althans, dat dacht Sam. ‘Is het omdat De Koninck vindt dat je te druk bent?’ Sams verbazing neemt toe. Hoe weet Farouk van De Koninck? Die had het Sam toch na de les verteld, in vertrouwen, zoals hij het noemde? Sam kijkt naar de grond, terwijl hij zich op de stoel laat vallen. ‘Ik weet het niet, ze moeten me gewoon hebben, denk ik.’ ‘Mag je niet meer naast Jelmer zitten, of Roan ofzo?’ ‘Nee.’ ‘Maar waarom niet dan?’ ‘Omdat ze me druk vinden inderdaad.’ ‘Wie is ze? De docenten?’ ‘Nee, mijn ouders. Ik ben getest op ADHD. Nou ja, ik eh, ik héb ADHD. En nu is er ineens vanalles veranderd. En nu ben ik te druk, lekker dan.’ ‘ADHD? Slik je medicijnen?’ ‘Ja, sinds kort.’ ‘Word je daar dan slomer van?’ ‘Ja, soms, maar ze werken niet altijd. Nu niet bijvoorbeeld.’ Sam schudt met zijn benen en lacht. ‘Kijk maar.’ Farouk lacht ook, maar niet lang: ‘En eh, nu moet je hier zitten? Naast mij? Omdat het niet anders kan?’ Sam schrikt. ‘Nee, nee, zo zit het niet.’ Hij probeert het geloofwaardig te laten klinken, hij wil het zelf ook graag geloven.

In de aula is het opvallend druk. Sam loopt langs leerlingen die in groepjes aan het werk zijn. Ze zitten aan de tafels waaraan normaal gesproken gegeten wordt of geappt, gekletst, gepokemond, gelachen. ‘Het is pws-dag’, zegt Farouk. Hij heeft hem ingehaald en kijkt over zijn schouder naar Sam terwijl hij zijn pas verder versnelt. ‘Mijn zus zit daar’, en hij wijst naar een tafel waar zeker acht leerlingen aan zitten. Dan draait hij zich ineens om. ‘Zie je wie het is? Ze lijkt wel een beetje op mij, vind ik.’ Sam kijkt geconcentreerd naar de tafel. Op de een of andere manier heeft hij het gevoel dat er veel van deze vraag afhangt. Farouk gunt hem weinig tijd. ‘Succes, zus!’ roept hij. Verschrikt kijken de leerlingen op van hun werk. Ook de zus van Farouk, Laila, over wie Sam op weg naar huis veel te weten komt, heeft het gehoord. Ze is lang en haar gezicht is smal en haar ogen zijn groot en donker. ‘Ssst, je zet me voor schut, Farouk’, sist ze. ‘Je bent uit, toch? Vuile mazzelaar.’ Dan lacht ze naar Farouk en naar Sam. ‘Ja, het is goed, we gaan al, zegt Sam’, terwijl hij zich realiseert dat Farouk de eerste is die hij heeft verteld over zijn ADHD.


zondag 4 september 2016

Nina

Nina is jarig. Zoals elk jaar is ze de eerste uit de klas die jarig is. In het lokaal van meneer Van Ham staan haar vriendinnen direct op als ze binnenkomt. ‘Nina, je bent jarig!’ ‘Nien, gefeliciteerd, ik had je al geappt maar dat telt niet’, Gefeliciteerd, lieverd!’ Ze kleven zich vast aan Nina’s nieuwe kleren, die ze gisteren met zijn vieren hebben uitgezocht. Diede had toen verteld dat haar ouders gingen scheiden, dat was voor alle vier een enorme verrassing. ‘Ik ga even zitten, oké?’ Zegt Nina. ‘Thanks hoor, maar het is oké zo, straks gaan ze nog voor me zingen.’ Met ‘ze’ bedoelt ze de leerlingen uit de klas, de andere 27, die het hysterische tafereel op allerlei manieren aan zich voorbij laten gaan.

Het is tien uur als Nina eindelijk kan gaan zitten. De meeste leerlingen wachten met hun telefoon in hun hand tot Van Ham hen opdraagt deze weg te leggen. Het is de tweede les met Van Ham, maar de klas kent hem nog van vorig jaar. Hij kan ermee door, hij is een beetje sloom, alhoewel: soms wordt  hij uit het niets heel boos. Jelmer en Sam 1 – Sam Alders – Nina, Diede, Dilal en Esmée zijn nog aan het praten. Diede ziet er moe uit. Nina durft het niet te zeggen, Esmée wel, zij durft alles. ‘Jij hebt anders ook wallen tot de grond’, krijgt ze terug. ‘Daar weet Roan alles van’, grijnst Esmée, en ze kijkt verlangend naar haar vriendje aan de andere kant van de klas. Het gevolg is een enorme lachbui van Dilal, daarna één van Diede en niet veel later zijn ook Esmée en Nina aan de beurt. Voor Van Ham is het gelach gek genoeg het juiste moment om de les te starten. ‘Oké, dag allemaal’, roept hij, ‘pak je boek erbij en sla ‘m open op ehh, pagina veertien, we gaan kijken naar de werkwoordstijden.’ Nina voelt iets in haar rug, iets hards. Als ze omkijkt, ziet ze de gekafte punt van een boek. En ze ziet Nora, van wie het boek is. Nora biedt direct haar excuses aan. Nina lacht geforceerd, kijkt weer voor zich en zegt zacht: ‘Au, dat deed dus pijn, stomme stuud.’ Het is ook altijd hetzelfde met haar. Nora heeft haar boeken al opengeslagen voordat ze aan tafel zit en is al begonnen met het huiswerk voordat het door de docent is opgegeven. Ook nu weer. En dat ze zo ijverig is moet ze zelf weten, maar ze trekt ermee de aandacht van alle docenten. Ze heeft altijd wel een vraag of een irritante, uitsloverige opmerking, zodat Nina vaak minutenlang in de schaduw zit van een over de tafel van Nora gebogen docent. En dan kan ze niets doen, niets sturen, geen appjes naar Tom, dat ze hem mist en waar ze elkaar zien in de pauze.

In de pauze zit Nina op hem te wachten. Deze keer is Tom degene die niet heeft geappt. Misschien had hij net les van Tielemans, ze kent zijn rooster nog niet uit haar hoofd. Of misschien was zijn batterij wel leeg. Maar waarvan? Niet van het appen, hij heeft nog niets laten horen vandaag, op haar verjaardag nota bene. Nina maakt zich zorgen. Zou hij haar verjaardag vergeten zijn? Of zou hij misschien met iemand anders pauze houden nu? Met een ander meisje? Misschien is hij wel ziek. Had ze dat moeten weten? Had ze het hem moeten appen: ‘Ik heb nog niets van je gehoord, dus je zal wel ziek zijn’? Net als Nina verstrikt dreigt te raken in haar eigen op hol geslagen gedachtes, voelt ze twee warme handen om haar voorhoofd en ogen. Tom. Haar adem stokt heel even. ‘Je mag je ogen pas weer open doen als ik het zeg’. Hij duwt haar een stukje vooruit, richting het schoolgebouw denkt ze, maar ze weet het niet zeker. Ze gehoorzaamt, blij dat ze verlost is van haar eigen doemdenken en verrast wordt door de jongen die ze bijna niet meer vertrouwde, maar nu meer dan ooit.

Het vierde uur, aansluitend aan de pauze, begint een bekend nummer, van The Stones of The Beatles of Bruce Spring… nog iets, of zo’n andere band van vroeger. Nina heeft het thuis wel eens gehoord, haar vader is er nogal dol op. Ze moet ineens aan hem denken en aan zijn werk, de reden dat hij er vanavond niet bij is als ze haar verjaardag vieren. Nina vraagt zich af met wie De Koninck zijn verjaardag zou vieren; het is een rare gedachte. ‘Mooi hè’, zegt haar mentor als het nummer eindelijk afgelopen is. David roept ‘jaaaa’ en Roan ‘zeker weten, meneer’, Lars en Ahmed geven antwoord door hun vingers voorzichtig weer uit hun oren te halen, Esmée zucht en Nina lacht: ‘Nee, meneer, dit is voor ouwelullen. Niet om aan te horen, zo saai.’ Ze kijkt lachend opzij naar Diede die hetzelfde doet in de richting van Esmée en Dilal. Dilal heeft haar handen voor haar mond geslagen: zij zou zoiets nooit durven zeggen. ‘Dat ga ik je haarfijn uitleggen, Nina, bedankt dus voor deze zeer relevante vraag.’ ‘Wat is relevant?’ vraagt Jelmer meteen. ‘Ja, meneer, wilt u niet van die moeilijke woorden gebruiken? We zijn 5v, niet 15v’, vult Sam 2 aan. De Koninck kijkt met een moeilijk gezicht de klas in. ‘Wie geeft jullie Nederlands?’ Langzaam krijgt zijn gezicht karikaturale trekken, iets wat hem zo leuk maakt. ‘mevrouw Diks’, zeggen Sam 2, Jelmer, Nina en Nora tegelijk. ‘Dan ligt het aan jullie’, zegt De Koninck, en hij lacht zo hard dat zijn stem overslaat. ‘Relevant is belangrijk, geschiedenis is belangrijk en muziek is belangrijk in de geschiedenis. Tot zover de uitleg, we gaan beginnen. We hebben weinig tijd, ik wil ook nog wat mentorzaken bespreken.’

‘Ik weet niet hoe het nu verder moet hoor’, zegt Diede. Haar wangen zijn betraand, haar ogen klein en rood. Ze zitten met zijn drieën op de schommels in de tuin van Esmeé. Ze schommelen nauwelijks, maar praten volop. ‘Weet je, ik zou het liefst bij jullie wonen, maar dat zal wel niet gaan, denk ik.’ Ze kijkt Nina en Esmée wanhopig aan. ‘Ik wil in ieder geval echt niet meer naar huis, dat weet ik zeker.’ ‘Lieve Died,’ zegt Nina, ‘je mag altijd bij ons komen wonen, graag zelfs, maar dat wil je vast niet, we hebben maar een klein huis en geen schommels enzo.’ Diede moet lachen en tijdens het lachen huilt ze. ‘Da’s lief, en ik vind je huis heel gezellig hoor, dus kijk uit wat je zegt.’ Ze dept met een zakdoekje de tranen weg en knijpt met haar vrije hand in die van Nina. ‘We kunnen dan heel vaak op stap en dan met zijn drie… eh… vieren bij jou crashen.’ – Dilal hoort er pas net bij ze moeten er allemaal nog een beetje aan wennen. Toch voelde het meteen goed, vooral omdat Dilal zo haar best doet steeds, zo attent is. Ze had Nina vannacht om twaalf uur als eerste gefeliciteerd. ‘We hebben toch maar twee keer het eerste uur les. En die skippen we dan gewoon’, vervolgt Diede. ‘Hè buh, ik zou willen dat ik er zin in had, in uitgaan en dat soort dingen, maar...’ In haar ogen hopen de tranen zich weer op. Ze maakt haar zin niet af. ‘Daar gaan we gewoon voor zorgen, Diede, toch?’, klinkt het vanuit de openstaande schuifpui. Dilal heeft haar jas sinds school niet meer uitgedaan, ook niet bij haar opa en oma, waar ze een half uur mokkend voor zich uit heeft gekeken, voordat ze eindelijk weg mocht. ‘Maar eerst moét ik weten wat de verrassing van Tom was!’ ‘Oh, Dilal, je bent er!’ Diedes stemming slaat even helemaal om. ‘Ik dacht dat … Wat gezellig, en wat fijn! Nien heeft het allermooiste cadeau ooit gekregen, serieus, het lag in haar kluisje en de rest moet ze zelf maar vertellen.’

zondag 28 augustus 2016

Nora

De wekker gaat. Nora is nog lang niet klaar met slapen, maar de wekker gaat nu nog een keer. Blijkbaar heeft ze gesnoozed. Het heeft niets geholpen. Kreunend stapt ze uit het stapelbed. Ze hoort geluiden boven zich. Haar zusje is ook wakker. Sofia doet hetzelfde, maar dan vanaf anderhalve meter hoogte. ‘Muhh’, bromt ze als ze haar oudere zus naast het bed omarmt. ‘Hé zussie’, zegt Nora terug. Ze lacht om de moeheid die hen beiden zo genadeloos in haar greep geeft. Ze blijven een tijdje zo staan. Dan zegt Sofia: ‘Ik ga weer slapen, Noor, goed?’ Ze wacht Nora’s reactie niet af en klimt weer omhoog. ‘Ik ben niet lekker, ik heb geen zin om naar school te gaan.’ Haar stem heeft een gekke trilling, de treden van het oude stapelbed klinken net zo.. Sofia kruipt terug in bed, slaat de dekens over zich heen en vraagt zachtjes: ‘Lieve zus, wil jij mam overhalen, ik wil echt niet naar school.’ Nora trekt haar pyjama recht, zet twee grote passen op de ladder en schuift één been onder de dekens. Het andere trekt ze op, totdat ze vlakbij het verdrietige gezicht van Sofia uitkomt. ‘Hee, Soof, wat is er? Ben je niet gewoon moe? Net als ik? Het is pas de tweede dag. We moeten nog een beetje wennen, snap je, het is nog even moeilijk, dat opstaan. Of is er iets anders?’ Sofia begint te huilen. Ze snikt stilletjes, haar adem schokt. ‘Vertel ‘s, Soof, wat is er? Voel je je niet goed?’ Het blijft even stil. Dan: ‘Nee, ik heb een stomme klas. Of ja, mijn klas gaat nog wel, maar er zitten een paar meisjes in …’

Sofia blijft thuis. Op school aangekomen ziet Nora direct de drie klasgenoten over wie Sofia het had. Het zijn de eerste leerlingen die ze ziet – het zal wel geen toeval zijn. Het valt haar op hoe groot ze zijn, hoe strak ze hun haar in een staart hebben zitten en hoe onverschillig ze kijken. Eén van hen leunt voorover over haar fiets, om hem op slot te zetten. De andere twee hebben dit al gedaan en wachten een paar meter verder bij de trappen van de fietsenstalling tot ze naar binnen kunnen, misschien wel om Sofia op te zoeken. Daar komen nu ook andere leerlingen langs, van boven naar beneden, met hun fiets in de hand, de rem stevig ingedrukt. Nora twijfelt even: ze kan nu die meiden een klap verkopen, gewoon, om meteen iets terug te doen, namens Sofia. Maar ze zou het waarschijnlijk alleen maar erger maken. En ze heeft nog nooit iemand geslagen. Wat kan ze doen? Ze besluit de drie een vuile blik te geven, iets wat vanzelf gaat. Het geeft haar geen voldoening, integendeel, het is een machteloos gebaar. Ze is ten einde raad, voelt de boosheid naar boven komen als ze de meiden passeert, een onaangenaam en onbekend gevoel. Nora, die toch altijd beheerst is, voorkomend, beleefd, is ineens buiten zinnen van woede. Om iets waar ze niets aan kan doen. Althans, nu niet, niet hier. Ze slaat een keer hard op het zadel van een willekeurige fiets en schrikt van de deuk die ze achterlaat. Ze kijkt om zich heen of niemand het gezien heeft.

Samen met David loopt ze de trap op naar lokaal 2.01, op de tweede verdieping, waar ze het eerste uur les heeft: Frans. Mevrouw Kusters is te laat – van klasgenoten die haar in de onderbouw al hadden hoorde ze dat dat nog vaker gaat gebeuren. Ze gaan aan een tafel zitten vlakbij het lokaal, tegenover de lift. Naast hen zitten twee leerlingen uit de eerste klas, Nora kent ze niet. De jochies hebben het eerste uur vrij, hoort ze, maar dat wisten ze niet, omdat ze nog niet in Magister konden. Dat was niet chill. Nora glimlacht en mompelt – tegen wie eigenlijk? – dat het altijd nog beter is dan het eerste uur Frans. David heeft het niet gehoord. Hij groette Roan, die voorbij liep en zei nog iets, maar die boodschap stierf weg in het kabaal op de gang. Nu kijkt hij haar aan, bezorgd, alsof er iets met haar aan de hand is. Hij zegt niets. Nora durft niets te zeggen. Hij heeft het vast gezien, in de kelder. Of van iemand gehoord misschien. David zegt nog steeds niets. Zij ook niet, maar ze voelt dat ze wat uit te leggen heeft. Gek genoeg vindt ze ook dat David recht heeft op het hele verhaal, het verhaal dat hem niets aangaat maar dat hij haar ontlokt, door zo naar haar te blijven kijken. En daarom vertelt ze het, in één ademteug herhaalt ze wat ze deze ochtend van haar zusje heeft gehoord. Ze fluistert en spreekt sommige woorden nauwelijks uit, omdat ze het kwijt wil, zo snel mogelijk. Dan hoort ze even niets, behalve de eersteklassers die hun spullen pakken en de trap weer aflopen.

‘Ik wist that… dat het iets ergs moest zijn, you know, ik ken je niet goed meer, maar ik wist dat je altijd rustig was, beheerst. Niet like that, in de kelder.’ Davids stem is warm en hij praat veel zachter dan een paar dagen eerder in de tuin van meneer De Koninck. Hij kijkt haar onophoudelijk aan, maar zijn blik is nu iets veranderd. Hij lacht een beetje, zijn ogen nemen haar mee. ‘Ik was altijd wat drukker, niet waar? Ik sloeg zo vaak tegen dingen aan.’ David kijkt grinnikend naar de vloer. Nora lacht. Ze kan zich nog goed herinneren hoe ontgoocheld ze was toen ze hoorde dat David naar een ander land zou verhuizen. Ze was ontroostbaar, waar ze zelf net zo weinig van begreep als haar moeder, die slechts één keer thee had ingeschonken voor David, en hem verder nooit meer had gezien. ‘Kan je nog wel schrijven, denk je?’ vraagt hij plotseling, zijn ogen wijd open, terwijl hij met beide armen naar een enorme stapel werkboeken wijst waarachter een aansnellende mevrouw Kusters schuilgaat.

De les begint tien minuten te laat. Mevrouw Kusters, die zich Thea laat noemen, schudt met haar halflange, grijze haar. ‘Even de laatste regendruppels eruit schudden hoor’, verontschuldigt ze zich. Ze heeft zich de eerste minuten enkel nog verontschuldigd. Haar man had zijn auto in de garage gezet en daarbij haar geparkeerde fiets klemgereden. Toen ze hem eenmaal bevrijd had, waren er vijftien kostbare minuten verstreken. ‘En ik vind het al zo’n klus, om zo vroeg op school te zijn. Sorry hoor, jongens, geen goed begin, ik weet het.’ Maar het fietsen hielp haar om wakker te worden. Anders had ze wel de bus genomen. Bovendien had de dokter het een goed idee gevonden, nadat ze vorig jaar last van haar gewrichten had gekregen. Mevrouw Kusters is de enige nieuwe docent voor klas 5B. Leerlingen weten nog niet wat ze van haar moeten denken. De les verloopt rommelig. Alisha wil zich niet in het Frans voorstellen, dat kan ze niet. Roan, Pieter en Jelmer sluiten zich bij haar aan. Nora stelt zich na een half uur als tiende voor, en dan moeten er nog 21. Ze vertelt dat ze graag kookt, dat ze in de leukste buurt in de stad woont – waarbij ze voorzichtig lachend naar David kijkt die er niets van lijkt te begrijpen – en dat haar moeder hier ook op school werkt. Ze zegt niet dat ze zou willen dat haar moeder ergens anders werkte. Of dat ze meer geld zouden hebben thuis, zodat ze bijvoorbeeld voor Sofia een mobieltje konden kopen. Misschien was dit dan allemaal nooit gebeurd. Ook zwijgt ze over haar vader, die ze al bijna tien jaar niet meer heeft gezien. Ze zucht alleen nog en Mevrouw Kusters wijst de volgende leerling aan. Maar Nora is nog niet klaar. Haar stem blijft even steken. Dan maar in het Nederlands: ‘En ik heb een zusje, Sofia, en ik ben heel erg trots op haar.’

zondag 21 augustus 2016

David

Het nieuwe schooljaar begint zoals het vorige eindigde: bij meneer De Koninck in de tuin. Het was een grauwe dag maar nu begint de zon langzaamaan terrein te winnen. Het gras in de tuin ruikt op een indringende manier naar de zomer, naar de belofte van een vakantie die alweer voorbij is. Iedereen hier kent elkaar al minstens een jaar, alleen David is voor velen een nieuw gezicht. Hij heeft zich zojuist voorgesteld, met in zijn linkerhand een soort vleesvork en in zijn rechter een wiebelende want veel te zware schaal met hamburgers. Jelmer had hem hiertoe aangezet, het zou tot de onverdeelde aandacht van zijn nieuwe klasgenoten leiden. ‘Vlees, mensen, vlees', riep Jelmer. En weg was hij. Rondom de barbecue verzamelden zich dertig leerlingen, Davids nieuwe klasgenoten. Hij had voorzichtig het woord genomen. Hij noemde zijn naam, twee keer, de eerste keer in het Engels en de tweede keer in het Nederlands. Na een paar zinnen keek hij vragend naar Jelmer – was dit een beetje de bedoeling? Jelmer beantwoordde zijn blik door een overdreven onderkoeld gezicht op te zetten en twee duimen op te steken. David moest erom lachen en daarmee was het ijs gebroken.

‘Nou, ik heb dus een paar jaar in Canada gewoond, nou ja een jaar of nine, ten, I guess. Haha sorry guys, ik krijg niet alle Nederlandse woorden er in één keer uit, en dit zeg ik ook weird, I know. Ik hoop dat jullie het begrijpen. En mijn accent niet al te weird vinden, shit, nou zeg ik weer weird, haha. Mijn vader works in de politics, nu, in Nederland, maar hij heeft hiervoor by the embassy gewerkt, you know, daarom zaten we daar, mijn broertje, mijn moeder, mijn vader en ik. Ik ehm, what can I say, ik kijk vooral uit naar Engelse les, haha. En ik hou van tennis, gamen, Pokémon Go spelen of course. En ik ben goed in barbecueën, dat is de number one hobby van iedere Canadees!’

Het applaus van zijn klasgenoten verandert in luid gejoel als de eerste hamburgers sissend de barbecue bereiken. Jelmer heeft inmiddels de schaal en de vork van David overgenomen en staat met zijn op vakantie verbrande gezicht dicht boven de barbecue. Hem kent David nog van het tennissen. Samen met Jelmer heeft hij in het enige jaar dat hij op tennis zat veel gedubbeld, tijdens trainingen en op de clubkampioenschappen. Soms speelden ze tegen elkaar, na schooltijd. David vond het gezellig samen, maar merkte algauw dat het Jelmer, die één jaar jonger maar veel beter was, daar niet om te doen was. Jelmer was fanatiek, zei ‘yes’ bij elke goede bal en ‘Jeeeezus’ bij een slechte. Jelmer is inmiddels tot de top twintig van Nederland doorgedrongen, heeft een klassering behaald die hem het recht verschaft af en toe een aantal lessen over te slaan, maar David heeft hiervan nog geen benul. Ook weet hij niet dat Nora, met wie hij nu staat te praten, het meisje met de donkere krullen dat tien jaar geleden bij hem op het erf woonde, destijds ook is verhuisd en nu weer bij hem in de buurt woont. Alleen hebben haar krullen plaatsgemaakt voor stijl haar, dat kaarsrecht langs nog precies hetzelfde gezicht valt.

David weet vrijwel niets van de mensen die hem nieuwsgierig omringen, waardoor hij zich, ondanks zijn speech en alle aandacht, enigszins bezwaard voelt hier te zijn, alsof hij zijn plek in de klas nog moet verdienen. Hij kijkt af en toe wat bezorgd om zich heen. Er wordt van alle kanten op allerlei manieren naar hem gekeken. In Canada was dat niet anders, in het begin. Daar had het alleen een heel andere uitwerking op hem. Daar had hij de vanzelfsprekende aantrekkingskracht van een nieuwkomer uit het buitenland gebruikt om zijn energie kwijt te raken. Daar rende hij bij de kennismaking rondjes op het schoolplein, en iedereen rende achter hem aan. Hier is hij geen nieuwkomer, geen echte in ieder geval. De aandacht maakt hem schuchter. Hij voelt zich een indringer, een verrader en bovenal iemand die te laat is. De leerlingen zijn vorig jaar zonder hem een klas geworden. Hij merkt het aan de vertrouwdheid waarmee ze elkaar roepen, voor de gek houden, aanraken. Hij hoort hier niet. David is een onbekende in deze hechte familie. Aan de andere kant heeft hij geen keus: hij hoort hier juíst. Dit is ook zijn klas, klas 5B. Hij moet er maar wennen. Gelukkig is Jelmer er.

‘Dat noem ik een binnenkomst!’ Een man met een gerimpeld gezicht, een verwaaide bos grijze krullen en een afschuwelijke combinatie van zomerkleren aan komt op hem af. David kijkt in de opgewonden ogen van zijn nieuwe mentor. ‘Sorry, meneer, ik had op u moeten wachten, maar het ging allemaal zo snel, en Jelmer…’ ‘Ach, hou op joh, ik ben doof en was bovendien veel te veel bezig met allerlei salades waar niemand van jullie op zitten te wachten. Ik had beter moeten opletten. Zo zie je maar, ik ben net als jullie.’ Er ontsnapt een harde lach uit zijn mond. De oude man, zwetend als Jelmer maar dan zonder barbecue onder zijn neus, slaat een arm om David heen terwijl hij nogmaals zegt dat hij niet stond op te letten. David schrikt: hij is in Canada nooit aangeraakt door een leraar, laat staan omarmd. Het is een warm welkom, absoluut, maar te warm, David merkt dat het hem niet bevalt. Tien jaar geleden was hij dan misschien in staat een nieuwe start te maken, nu niet, of nog niet, hij heeft in ieder geval ineens geen zin meer in vanavond.

dinsdag 9 augustus 2016

De Klas

Het was voor iedereen even wennen. De eerste drie jaar hadden ze in de klas om zich heen steeds dezelfde gezichten gezien, met in hun midden dezelfde mentor. Ze hadden voor de zomervakantie een paar voorkeuren doorgegeven, waar gelukkig rekening mee was gehouden. Verder was het een grotendeels nieuwe klas geworden, met leerlingen die tot dan toe op veilige afstand in andere lokalen hadden gezeten. Het was kortom een spannend moment, het begin van klas 4B, inmiddels klas 5B, met aan het roer meneer De Koninck, die na dit jaar met pensioen gaat.

Iedereen uit klas 4B is over naar 5B, op Youri na en dat is sneu voor hem, want hij was nog erg dichtbij gekomen. Youri gaat nu naar 4 havo, waardoor ze in ieder geval allemaal tegelijkertijd examen zullen doen. En hij kan dit jaar gewoon mee op buitenlandse reis. Zo valt de schade enigszins mee. Oh ja, er is ook een nieuwe leerling, David, uit Canada, maar sommige leerlingen kennen hem al, dus misschien toch niet uit Canada. Dat zal nog wel duidelijk worden. Over dertien dagen begint het allemaal weer. Of beter gezegd, over twaalf dagen, bij meneer De Koninck thuis. Zou David daarvan op de hoogte zijn?