maandag 19 september 2016

Carlos

Carlos was een nieuwsgierige peuter in een nieuwe omgeving die hij zo snel mogelijk wilde leren kennen. Dit resulteerde een paar weken voor zijn zesde verjaardag in de overgang van groep 1 naar groep 3. Carlos wilde de taal leren die hij al kende maar nog niet sprak. Hij weet nog dat hij van zijn vader en moeder boekjes cadeau kreeg om in groep 3 met zijn klasgenoten te lezen, in de leeshoek, die hij toen alleen nog kende uit verhalen van zijn overbuurjongen Stan. Stan bracht zijn tijd het liefst door in de bouwhoek, waar hij huizen bouwde voor zijn juf, zodat zij op school kon komen wonen. Toen Carlos naar de middelbare school ging was hij net elf geworden. Hij was klein van stuk, ook in het voetbalteam was hij een kop kleiner dan zijn leeftijdsgenoten. Toch schrikte het vooruitzicht van een nieuwe school met oudere, grotere leerlingen Carlos niet af. Hij had zin om te beginnen, hij zou zich vast wel aanpassen, zoals hij al zo vaak had gedaan.

Toen hij twee jaar was kwam hij uit Colombia naar Nederland. Zijn ouders hadden de bed and breakfast overgenomen van zijn moeders zus, Manuela. Zij had in één van haar spaarzame bezoeken aan Bogotá een Nederlandse man ontmoet en was met hem meegegaan. Hij had een eigen boerderij in een klein dorp in Nederland en Manuela begon daar een bed and breakfast; aanvankelijk uit verveling, maar de verveling veranderde al gauw in een enorme toewijding. Haar man, Peter, overleed niet lang daarna aan een hartstilstand. Hij was buiten aan het werk toen het plotseling gebeurde. Daarna heeft Manuela het nog jaren alleen volgehouden. Ze weigerde de hulp van anderen in te schakelen of aan te nemen. Haar boerderij was heilige grond geworden, die ze enkel met gasten wilde delen. Totdat ze ziek werd, kanker kreeg, en moest toezien hoe iedereen zich ermee ging bemoeien.

Carlos’ ouders hadden het niet breed in Colombia. Hij heeft er zelf nooit wat van gemerkt, maar het schijnt dat ze soms een dag niets te eten hadden. Toen ze in Nederland kwamen zijn ze bij tante Manuela op de boerderij gaan wonen, om deze te beschermen en om voor haar te zorgen. Carlos was te jong om zich bewust te zijn van de veranderde omgeving. Bovendien was het een vrij eenvoudig dorp, van genoeg maar lang niet alle gemakken voorzien. Met een beetje fantasie leek het op Colombia. Ze voelden zich hier gauw thuis. In de veertien jaar die volgden, is de boerderij twee keer verbouwd, totdat hij groot genoeg was om de steeds groter wordende stroom gasten onderdak te bieden. Tante Manuela overleed kort nadat ze zag dat haar project goede handen was.
Luirink komt uit hetzelfde dorp als Carlos. Ze komen elkaar wel eens tegen in het bos, als ze hun hond uitlaten. Dit uur hebben ze les van Luirink, economie. Op de derde verdieping is het warm. De septemberzon weet dit jaar van geen wijken en brandt genadeloos door de vele ramen in het lokaal. Bijna iedereen is bezig met een opdracht, in tweetallen. Carlos zit vooraan, waar hij vaak zit, omdat hij anders weinig ziet. Naast hem zit Siem, zijn beste vriend. Siem is de een na kleinste van de klas, maar dat is niet de enige reden dat ze bevriend zijn. Siem is net als Carlos nog niet bezig met zaken als meisjes, rijbewijs, alcohol en bijbaantjes. En Siem kan net als Carlos ontzettend goed voetballen. Ze zijn beiden de beste uit hun team, respectievelijk de B1 en C1. Carlos kijkt altijd een beetje tegen Siem op, die ook nog eens hoge cijfers haalt voor de meeste vakken.


Hij weet niet waarom, maar Carlos heeft al een tijdje het gevoel dat alles elk moment kan veranderen, zoals dat bij sommige klasgenoten ook gebeurd is. Kijk naar Jim, of Lars, die niet zo lang geleden nog goede vrienden van hem waren. Zij zijn niet meer geïnteresseerd in hem, kijken liever de hele dag met open mond naar Esmée, Diede of Nina. Zolang het nog kan, houdt Carlos vast aan zijn onbezorgde leven, aan zijn eindeloze voetbalavonden en aan de boerderij. Carlos vindt het heerlijk om thuis te komen en zijn vader te helpen op het land. Of aan te schuiven aan een lange tafel vol met mensen die bij hen op bezoek zijn. Als de gasten naar de omgeving vragen, zijn het niet zijn ouders die antwoord geven, maar is het Carlos die dat doet. Door te vertellen over de akkers grenzend aan hun tuin, de weilanden, de sloop van de boerderij verderop in de straat en de dieren die ze van de boer hebben overgenomen. ‘Hij kwam ze gewoon brengen, we hoefden alleen maar de poort open te doen’, zegt Carlos dan, hopend op verraste of geschokte reacties. Op dinsdag en donderdag wordt zijn verhaal steevast onderbroken door Simon, die hem komt halen voor de training van de B1. Carlos hoopt vurig op een definitieve overgang van de C1 naar de B1, zodat hij ook wedstrijden kan spelen, met Siem en de anderen. Dat kan nu toch niet lang meer duren.

zondag 11 september 2016

Sam 1

Hij zit aan het raam. Naast hem zit David, de nieuwe jongen uit Canada. Door het hoge raam, dat aan hun kant open staat, kijkt Sam van drie hoog uit op het schoolplein. Daar is zijn broer Jasper, met zijn vrienden van wie Sam de namen nog steeds niet allemaal kent. Eén van hen heet Sjors. Hij is de langste, heeft een groot hoofd met weinig haar en een grove huid met putten erin. Sjors heeft als enige in de gaten had dat ze worden bekeken, door Sam en nu ook door David.

‘Hee, gasten, kijk eens naar onze toeschouwers. Jasper, je broertje probeert af te kijken volgens mij. Hij wil onze swag stelen, ik zweer het je.’ Sjors trekt zijn mond in een grijns zo breed dat zelfs Sam hem kan zien. Jasper, zijn twee jaar oudere broer – in de vijfde klas blijven zitten –, draait zich langzaam om, in de hoop dat Sjors zal zeggen dat het niet waar is, dat het iemand anders is, of niemand. Maar hij ziet al snel de bekende krullenkop achter het raam. Het is Sam. En een onbekende jongen, een nieuwe vriend van hem zeker. Jasper gaat op één van de muurtjes staan en roept: ‘Ga weg daar! Ga iemand anders bespieden. Of moet ik het soms aan pap vertellen, dat je weer eens niet aan het werk was in de les? Zal ie niet leuk vinden denk ik!’ Zijn stem klinkt schor van al het roken.

Sam zegt niets terug, behalve ‘teringlijer’, heel zacht. ‘Pardon, monsieur Van de Heuvel? Mevrouw Kusters kijkt nijdig zijn kant op en voegt er in het Frans nog iets aan toe wat Sam niet begrijpt; het klinkt belerend, zoals meneer De Koninck gisteren ook had geklonken. Sam sluit het raam en kijkt wazig voor zich uit. ‘Je m’excuse’, mompelt hij. Hij voelt zich als een afgerichte hond. Hij mag niks meer. Iedereen zit erbovenop de laatste tijd. En waarom? Het is Jasper die steeds in de problemen komt, niet hij. Maar dat gaat er bij zijn ouders gek genoeg niet in. Zijn moeder had nog voor de eerste schooldag naar school gebeld en gevraagd of hun mentor, meneer De Koninck, extra op hem wilde letten. Toen die had gezegd dat dat voor zich sprak, had ze eraan toegevoegd: ‘Sam is veranderd, hij is dwars en druk en moeilijk benaderbaar. Je zal hem niet herkennen, let maar op.’ Sam had het gesprek woord voor woord gevolgd. Daarna was niets meer hetzelfde.

Tijdens het laatste uur, wiskunde van meneer Marres, zit David ineens naast Nora. Er speelt wat tussen die twee, dat is voor iedereen duidelijk. Nu lijken ze er zelf ook geen geheim meer van te maken. Sam vindt ze wel bij elkaar passen, maar hij is hier niet blij mee. De leerlingen mogen elke les zelf bepalen naast wie ze gaan zitten. Behalve hij. Sam mag niet meer naast Jelmer zitten of naast Jim, Roan of Sam 2. Het was een idee van meneer De Koninck, maar Sam wist beter: het was door zijn ouders ingegeven. De Koninck kennende zou hij dit nog wel een keer toegeven. Hoe dan ook, alle docenten hadden een mail ontvangen en vandaag was de eerste dag waarop Sams keuzes beperkt waren. En nu kon hij ook niet naast David zitten, die op hem een neutrale, vriendelijke indruk had gemaakt. Sam besluit weer aan de raamkant te gaan zitten, achterin. Hij merkt vanzelf wel wie er aanschuift. Met tegenzin laat hij zijn tas van zijn schouders glijden. ‘Oh, niks ervan, Sam Straal.’ Achter hem doemt de grote, brede gestalte van meneer Marres op. ‘Jou wil ik vooraan hebben.’

‘Hoi’, zegt Farouk. Sam kijkt op van de tas waaruit hij zijn (principieel) niet gekafte wiskundeboek tevoorschijn haalt. ‘Hoi’, zegt hij terug, terwijl hij zich realiseert dat zijn boosheid doorklinkt in zijn reactie. ‘Waarom moet je hele tijd ergens anders zitten?’ Sam kijkt op van de directheid. Farouk was hem vorig jaar nooit zo opgevallen. Sam weet nog dat hij een keer heel erg misselijk werd toen ze bij bio een vis ontleedden. Hij had toen in het lokaal overgegeven. Sindsdien zat Farouk alleen. Of soms nog naast Dilal, met wie hij lange tijd verkering had maar sinds de zomer niet meer. Farouk is heel verlegen, althans, dat dacht Sam. ‘Is het omdat De Koninck vindt dat je te druk bent?’ Sams verbazing neemt toe. Hoe weet Farouk van De Koninck? Die had het Sam toch na de les verteld, in vertrouwen, zoals hij het noemde? Sam kijkt naar de grond, terwijl hij zich op de stoel laat vallen. ‘Ik weet het niet, ze moeten me gewoon hebben, denk ik.’ ‘Mag je niet meer naast Jelmer zitten, of Roan ofzo?’ ‘Nee.’ ‘Maar waarom niet dan?’ ‘Omdat ze me druk vinden inderdaad.’ ‘Wie is ze? De docenten?’ ‘Nee, mijn ouders. Ik ben getest op ADHD. Nou ja, ik eh, ik héb ADHD. En nu is er ineens vanalles veranderd. En nu ben ik te druk, lekker dan.’ ‘ADHD? Slik je medicijnen?’ ‘Ja, sinds kort.’ ‘Word je daar dan slomer van?’ ‘Ja, soms, maar ze werken niet altijd. Nu niet bijvoorbeeld.’ Sam schudt met zijn benen en lacht. ‘Kijk maar.’ Farouk lacht ook, maar niet lang: ‘En eh, nu moet je hier zitten? Naast mij? Omdat het niet anders kan?’ Sam schrikt. ‘Nee, nee, zo zit het niet.’ Hij probeert het geloofwaardig te laten klinken, hij wil het zelf ook graag geloven.

In de aula is het opvallend druk. Sam loopt langs leerlingen die in groepjes aan het werk zijn. Ze zitten aan de tafels waaraan normaal gesproken gegeten wordt of geappt, gekletst, gepokemond, gelachen. ‘Het is pws-dag’, zegt Farouk. Hij heeft hem ingehaald en kijkt over zijn schouder naar Sam terwijl hij zijn pas verder versnelt. ‘Mijn zus zit daar’, en hij wijst naar een tafel waar zeker acht leerlingen aan zitten. Dan draait hij zich ineens om. ‘Zie je wie het is? Ze lijkt wel een beetje op mij, vind ik.’ Sam kijkt geconcentreerd naar de tafel. Op de een of andere manier heeft hij het gevoel dat er veel van deze vraag afhangt. Farouk gunt hem weinig tijd. ‘Succes, zus!’ roept hij. Verschrikt kijken de leerlingen op van hun werk. Ook de zus van Farouk, Laila, over wie Sam op weg naar huis veel te weten komt, heeft het gehoord. Ze is lang en haar gezicht is smal en haar ogen zijn groot en donker. ‘Ssst, je zet me voor schut, Farouk’, sist ze. ‘Je bent uit, toch? Vuile mazzelaar.’ Dan lacht ze naar Farouk en naar Sam. ‘Ja, het is goed, we gaan al, zegt Sam’, terwijl hij zich realiseert dat Farouk de eerste is die hij heeft verteld over zijn ADHD.


zondag 4 september 2016

Nina

Nina is jarig. Zoals elk jaar is ze de eerste uit de klas die jarig is. In het lokaal van meneer Van Ham staan haar vriendinnen direct op als ze binnenkomt. ‘Nina, je bent jarig!’ ‘Nien, gefeliciteerd, ik had je al geappt maar dat telt niet’, Gefeliciteerd, lieverd!’ Ze kleven zich vast aan Nina’s nieuwe kleren, die ze gisteren met zijn vieren hebben uitgezocht. Diede had toen verteld dat haar ouders gingen scheiden, dat was voor alle vier een enorme verrassing. ‘Ik ga even zitten, oké?’ Zegt Nina. ‘Thanks hoor, maar het is oké zo, straks gaan ze nog voor me zingen.’ Met ‘ze’ bedoelt ze de leerlingen uit de klas, de andere 27, die het hysterische tafereel op allerlei manieren aan zich voorbij laten gaan.

Het is tien uur als Nina eindelijk kan gaan zitten. De meeste leerlingen wachten met hun telefoon in hun hand tot Van Ham hen opdraagt deze weg te leggen. Het is de tweede les met Van Ham, maar de klas kent hem nog van vorig jaar. Hij kan ermee door, hij is een beetje sloom, alhoewel: soms wordt  hij uit het niets heel boos. Jelmer en Sam 1 – Sam Alders – Nina, Diede, Dilal en Esmée zijn nog aan het praten. Diede ziet er moe uit. Nina durft het niet te zeggen, Esmée wel, zij durft alles. ‘Jij hebt anders ook wallen tot de grond’, krijgt ze terug. ‘Daar weet Roan alles van’, grijnst Esmée, en ze kijkt verlangend naar haar vriendje aan de andere kant van de klas. Het gevolg is een enorme lachbui van Dilal, daarna één van Diede en niet veel later zijn ook Esmée en Nina aan de beurt. Voor Van Ham is het gelach gek genoeg het juiste moment om de les te starten. ‘Oké, dag allemaal’, roept hij, ‘pak je boek erbij en sla ‘m open op ehh, pagina veertien, we gaan kijken naar de werkwoordstijden.’ Nina voelt iets in haar rug, iets hards. Als ze omkijkt, ziet ze de gekafte punt van een boek. En ze ziet Nora, van wie het boek is. Nora biedt direct haar excuses aan. Nina lacht geforceerd, kijkt weer voor zich en zegt zacht: ‘Au, dat deed dus pijn, stomme stuud.’ Het is ook altijd hetzelfde met haar. Nora heeft haar boeken al opengeslagen voordat ze aan tafel zit en is al begonnen met het huiswerk voordat het door de docent is opgegeven. Ook nu weer. En dat ze zo ijverig is moet ze zelf weten, maar ze trekt ermee de aandacht van alle docenten. Ze heeft altijd wel een vraag of een irritante, uitsloverige opmerking, zodat Nina vaak minutenlang in de schaduw zit van een over de tafel van Nora gebogen docent. En dan kan ze niets doen, niets sturen, geen appjes naar Tom, dat ze hem mist en waar ze elkaar zien in de pauze.

In de pauze zit Nina op hem te wachten. Deze keer is Tom degene die niet heeft geappt. Misschien had hij net les van Tielemans, ze kent zijn rooster nog niet uit haar hoofd. Of misschien was zijn batterij wel leeg. Maar waarvan? Niet van het appen, hij heeft nog niets laten horen vandaag, op haar verjaardag nota bene. Nina maakt zich zorgen. Zou hij haar verjaardag vergeten zijn? Of zou hij misschien met iemand anders pauze houden nu? Met een ander meisje? Misschien is hij wel ziek. Had ze dat moeten weten? Had ze het hem moeten appen: ‘Ik heb nog niets van je gehoord, dus je zal wel ziek zijn’? Net als Nina verstrikt dreigt te raken in haar eigen op hol geslagen gedachtes, voelt ze twee warme handen om haar voorhoofd en ogen. Tom. Haar adem stokt heel even. ‘Je mag je ogen pas weer open doen als ik het zeg’. Hij duwt haar een stukje vooruit, richting het schoolgebouw denkt ze, maar ze weet het niet zeker. Ze gehoorzaamt, blij dat ze verlost is van haar eigen doemdenken en verrast wordt door de jongen die ze bijna niet meer vertrouwde, maar nu meer dan ooit.

Het vierde uur, aansluitend aan de pauze, begint een bekend nummer, van The Stones of The Beatles of Bruce Spring… nog iets, of zo’n andere band van vroeger. Nina heeft het thuis wel eens gehoord, haar vader is er nogal dol op. Ze moet ineens aan hem denken en aan zijn werk, de reden dat hij er vanavond niet bij is als ze haar verjaardag vieren. Nina vraagt zich af met wie De Koninck zijn verjaardag zou vieren; het is een rare gedachte. ‘Mooi hè’, zegt haar mentor als het nummer eindelijk afgelopen is. David roept ‘jaaaa’ en Roan ‘zeker weten, meneer’, Lars en Ahmed geven antwoord door hun vingers voorzichtig weer uit hun oren te halen, Esmée zucht en Nina lacht: ‘Nee, meneer, dit is voor ouwelullen. Niet om aan te horen, zo saai.’ Ze kijkt lachend opzij naar Diede die hetzelfde doet in de richting van Esmée en Dilal. Dilal heeft haar handen voor haar mond geslagen: zij zou zoiets nooit durven zeggen. ‘Dat ga ik je haarfijn uitleggen, Nina, bedankt dus voor deze zeer relevante vraag.’ ‘Wat is relevant?’ vraagt Jelmer meteen. ‘Ja, meneer, wilt u niet van die moeilijke woorden gebruiken? We zijn 5v, niet 15v’, vult Sam 2 aan. De Koninck kijkt met een moeilijk gezicht de klas in. ‘Wie geeft jullie Nederlands?’ Langzaam krijgt zijn gezicht karikaturale trekken, iets wat hem zo leuk maakt. ‘mevrouw Diks’, zeggen Sam 2, Jelmer, Nina en Nora tegelijk. ‘Dan ligt het aan jullie’, zegt De Koninck, en hij lacht zo hard dat zijn stem overslaat. ‘Relevant is belangrijk, geschiedenis is belangrijk en muziek is belangrijk in de geschiedenis. Tot zover de uitleg, we gaan beginnen. We hebben weinig tijd, ik wil ook nog wat mentorzaken bespreken.’

‘Ik weet niet hoe het nu verder moet hoor’, zegt Diede. Haar wangen zijn betraand, haar ogen klein en rood. Ze zitten met zijn drieën op de schommels in de tuin van Esmeé. Ze schommelen nauwelijks, maar praten volop. ‘Weet je, ik zou het liefst bij jullie wonen, maar dat zal wel niet gaan, denk ik.’ Ze kijkt Nina en Esmée wanhopig aan. ‘Ik wil in ieder geval echt niet meer naar huis, dat weet ik zeker.’ ‘Lieve Died,’ zegt Nina, ‘je mag altijd bij ons komen wonen, graag zelfs, maar dat wil je vast niet, we hebben maar een klein huis en geen schommels enzo.’ Diede moet lachen en tijdens het lachen huilt ze. ‘Da’s lief, en ik vind je huis heel gezellig hoor, dus kijk uit wat je zegt.’ Ze dept met een zakdoekje de tranen weg en knijpt met haar vrije hand in die van Nina. ‘We kunnen dan heel vaak op stap en dan met zijn drie… eh… vieren bij jou crashen.’ – Dilal hoort er pas net bij ze moeten er allemaal nog een beetje aan wennen. Toch voelde het meteen goed, vooral omdat Dilal zo haar best doet steeds, zo attent is. Ze had Nina vannacht om twaalf uur als eerste gefeliciteerd. ‘We hebben toch maar twee keer het eerste uur les. En die skippen we dan gewoon’, vervolgt Diede. ‘Hè buh, ik zou willen dat ik er zin in had, in uitgaan en dat soort dingen, maar...’ In haar ogen hopen de tranen zich weer op. Ze maakt haar zin niet af. ‘Daar gaan we gewoon voor zorgen, Diede, toch?’, klinkt het vanuit de openstaande schuifpui. Dilal heeft haar jas sinds school niet meer uitgedaan, ook niet bij haar opa en oma, waar ze een half uur mokkend voor zich uit heeft gekeken, voordat ze eindelijk weg mocht. ‘Maar eerst moét ik weten wat de verrassing van Tom was!’ ‘Oh, Dilal, je bent er!’ Diedes stemming slaat even helemaal om. ‘Ik dacht dat … Wat gezellig, en wat fijn! Nien heeft het allermooiste cadeau ooit gekregen, serieus, het lag in haar kluisje en de rest moet ze zelf maar vertellen.’