De wekker
gaat. Nora is nog lang niet klaar met slapen, maar de wekker gaat nu nog een
keer. Blijkbaar heeft ze gesnoozed. Het heeft niets geholpen. Kreunend stapt ze
uit het stapelbed. Ze hoort geluiden boven zich. Haar zusje is ook wakker.
Sofia doet hetzelfde, maar dan vanaf anderhalve meter hoogte. ‘Muhh’, bromt ze
als ze haar oudere zus naast het bed omarmt. ‘Hé zussie’, zegt Nora terug. Ze
lacht om de moeheid die hen beiden zo genadeloos in haar greep geeft. Ze
blijven een tijdje zo staan. Dan zegt Sofia: ‘Ik ga weer slapen, Noor, goed?’ Ze
wacht Nora’s reactie niet af en klimt weer omhoog. ‘Ik ben niet lekker, ik heb
geen zin om naar school te gaan.’ Haar stem heeft een gekke trilling, de
treden van het oude stapelbed klinken net zo.. Sofia kruipt terug in bed, slaat
de dekens over zich heen en vraagt zachtjes: ‘Lieve zus, wil jij mam overhalen,
ik wil echt niet naar school.’ Nora trekt haar pyjama recht, zet twee grote
passen op de ladder en schuift één been onder de dekens. Het andere trekt ze
op, totdat ze vlakbij het verdrietige gezicht van Sofia uitkomt. ‘Hee, Soof,
wat is er? Ben je niet gewoon moe? Net als ik? Het is pas de tweede dag. We
moeten nog een beetje wennen, snap je, het is nog even moeilijk, dat opstaan.
Of is er iets anders?’ Sofia begint te huilen. Ze snikt stilletjes, haar adem
schokt. ‘Vertel ‘s, Soof,
wat is er? Voel je je niet goed?’ Het blijft even stil. Dan: ‘Nee, ik heb een
stomme klas. Of ja, mijn klas gaat nog wel, maar er zitten een paar meisjes in …’
Sofia blijft
thuis. Op school aangekomen ziet Nora direct de drie klasgenoten over wie Sofia
het had. Het zijn de eerste leerlingen die ze ziet – het zal wel geen toeval
zijn. Het valt haar op hoe groot ze zijn, hoe strak ze hun haar in een staart
hebben zitten en hoe onverschillig ze kijken. Eén van hen leunt voorover over
haar fiets, om hem op slot te zetten. De andere twee hebben dit al gedaan en
wachten een paar meter verder bij de trappen van de fietsenstalling tot ze naar
binnen kunnen, misschien wel om Sofia op te zoeken. Daar komen nu ook andere
leerlingen langs, van boven naar beneden, met hun fiets in de hand, de rem stevig
ingedrukt. Nora twijfelt even: ze kan nu die meiden een klap verkopen, gewoon,
om meteen iets terug te doen, namens Sofia. Maar ze zou het waarschijnlijk
alleen maar erger maken. En ze heeft nog nooit iemand geslagen. Wat kan ze doen?
Ze besluit de drie een vuile blik te geven, iets wat vanzelf gaat. Het geeft
haar geen voldoening, integendeel, het is een machteloos gebaar. Ze is ten
einde raad, voelt de boosheid naar boven komen als ze de meiden
passeert, een onaangenaam en onbekend gevoel. Nora, die toch altijd beheerst is, voorkomend, beleefd, is ineens buiten zinnen van woede. Om iets waar ze niets aan kan doen. Althans, nu niet, niet hier. Ze slaat een
keer hard op het zadel van een willekeurige fiets en schrikt van de deuk die ze
achterlaat. Ze kijkt om zich heen of niemand het gezien heeft.
Samen met
David loopt ze de trap op naar lokaal 2.01, op de tweede verdieping, waar ze
het eerste uur les heeft: Frans. Mevrouw Kusters is te laat – van klasgenoten
die haar in de onderbouw al hadden hoorde ze dat dat nog vaker gaat gebeuren. Ze
gaan aan een tafel zitten vlakbij het lokaal, tegenover de lift. Naast hen zitten
twee leerlingen uit de eerste klas, Nora kent ze niet. De jochies hebben het
eerste uur vrij, hoort ze, maar dat wisten ze niet, omdat ze nog niet in Magister
konden. Dat was niet chill. Nora glimlacht en mompelt – tegen wie eigenlijk? – dat
het altijd nog beter is dan het eerste uur Frans. David heeft het niet gehoord.
Hij groette Roan, die voorbij liep en zei nog iets, maar die boodschap stierf
weg in het kabaal op de gang. Nu kijkt hij haar aan, bezorgd, alsof er iets met
haar aan de hand is. Hij zegt niets. Nora durft niets te zeggen. Hij heeft het vast
gezien, in de kelder. Of van iemand gehoord misschien. David zegt nog steeds
niets. Zij ook niet, maar ze voelt dat ze wat uit te leggen heeft. Gek genoeg
vindt ze ook dat David recht heeft op het hele verhaal, het verhaal dat hem
niets aangaat maar dat hij haar ontlokt, door zo naar haar te blijven kijken.
En daarom vertelt ze het, in één ademteug herhaalt ze wat ze deze ochtend van
haar zusje heeft gehoord. Ze fluistert en spreekt sommige woorden nauwelijks
uit, omdat ze het kwijt wil, zo snel mogelijk. Dan hoort ze even niets, behalve
de eersteklassers die hun spullen pakken en de trap weer aflopen.
‘Ik wist
that… dat het iets ergs moest zijn, you know, ik ken je niet goed meer, maar ik
wist dat je altijd rustig was, beheerst. Niet like that, in de kelder.’ Davids
stem is warm en hij praat veel zachter dan een paar dagen eerder in de tuin van
meneer De Koninck. Hij kijkt haar onophoudelijk aan, maar zijn blik is nu iets
veranderd. Hij lacht een beetje, zijn ogen nemen haar mee. ‘Ik was altijd wat
drukker, niet waar? Ik sloeg zo vaak tegen dingen aan.’ David kijkt grinnikend
naar de vloer. Nora lacht. Ze kan zich nog goed herinneren hoe ontgoocheld ze
was toen ze hoorde dat David naar een ander land zou verhuizen. Ze was
ontroostbaar, waar ze zelf net zo weinig van begreep als haar moeder, die
slechts één keer thee had ingeschonken voor David, en hem verder nooit meer
had gezien. ‘Kan je nog wel schrijven, denk je?’ vraagt hij plotseling, zijn
ogen wijd open, terwijl hij met beide armen naar een enorme stapel werkboeken
wijst waarachter een aansnellende mevrouw Kusters schuilgaat.
De les
begint tien minuten te laat. Mevrouw Kusters, die zich Thea laat noemen, schudt
met haar halflange, grijze haar. ‘Even de laatste regendruppels eruit schudden
hoor’, verontschuldigt ze zich. Ze heeft zich de eerste minuten enkel nog
verontschuldigd. Haar man had zijn auto in de garage gezet en daarbij haar geparkeerde
fiets klemgereden. Toen ze hem eenmaal bevrijd had, waren er vijftien kostbare
minuten verstreken. ‘En ik vind het al zo’n klus, om zo vroeg op school te zijn.
Sorry hoor, jongens, geen goed begin, ik weet het.’ Maar het fietsen hielp haar
om wakker te worden. Anders had ze wel de bus genomen. Bovendien had de dokter
het een goed idee gevonden, nadat ze vorig jaar last van haar gewrichten had
gekregen. Mevrouw Kusters is de enige nieuwe docent voor klas 5B. Leerlingen
weten nog niet wat ze van haar moeten denken. De les verloopt rommelig. Alisha
wil zich niet in het Frans voorstellen, dat kan ze niet. Roan, Pieter en Jelmer
sluiten zich bij haar aan. Nora stelt zich na een half uur als tiende voor, en
dan moeten er nog 21. Ze vertelt dat ze graag kookt, dat ze in de leukste buurt
in de stad woont – waarbij ze voorzichtig lachend naar David kijkt die er niets
van lijkt te begrijpen – en dat haar moeder hier ook op school werkt. Ze zegt
niet dat ze zou willen dat haar moeder ergens anders werkte. Of dat ze meer
geld zouden hebben thuis, zodat ze bijvoorbeeld voor Sofia een mobieltje konden
kopen. Misschien was dit dan allemaal nooit gebeurd. Ook zwijgt ze over haar
vader, die ze al bijna tien jaar niet meer heeft gezien. Ze zucht alleen nog en
Mevrouw Kusters wijst de volgende leerling aan. Maar Nora is nog niet klaar.
Haar stem blijft even steken. Dan maar in het Nederlands: ‘En ik heb een zusje,
Sofia, en ik ben heel erg trots op haar.’
Geen opmerkingen:
Een reactie posten